GEHEIM VAN DE HUNEBEDDEN NA EEUWEN ONTSLUIERD

Groningse archeologe reconstrueert uit aardewerk de functie van hunebedden


Na een jarenlange studie van enkele honderd duizenden kleine aardewerkscherven is de archeologe Anna Brindley (Groninger Instituut voor Archeologie) er in geslaagd de functie en het gebruik van hunebedden te achterhalen. Uit haar onderzoek blijkt, dat niet iedereen in een hunebed begraven werd. Het graf werd slechts n keer per tien of vijftien jaar gebruikt of misschien n keer per generatie. Ook zijn de hunebedden gedurende de 500 jaar van hun functioneren niet altijd op dezelfde wijze benut.

Het aardewerk, dat in de hunebedden werd aangetroffen, laat zien dat in de vroegste periode offers werden gebracht, vermoedelijk van voedsel. Honderd jaar later veranderden deze offers in gemeenschappelijke maaltijden. Er werd dan zowel geofferd als gegeten en gedronken. Het gestoofde voedsel werd opgediend in gemeenschappelijke potten. Daaruit werd het overgeschept in handzame drinkbekers en schalen. Uit deze periode wordt een grote hoeveelheid aardewerk in de hunebedden aangetroffen. Het is bovendien van zeer verschillende kwaliteit en uitvoering. Kennelijk nam iedereen zijn eigen tafelgerei mee.

In een volgende fase werd vooral het drinken tijdens de feesten belangrijk. Wat er nog gegeten werd, nuttigde men direct uit de gemeenschappelijke pot. Het werd niet meer uitgeserveerd en het bestond uit gedroogd, geroosterd of gebakken voedsel. Ook de drank werd kant en klaar genuttigd uit drinkbekers en niet eerst aangelengd in grotere vaten. In het laatste stadium van de cultuur, die de hunebedden gebruikte, stierven de feesten uit en werd er opnieuw in de graven geofferd.

Met deze studie heeft Anna Brindley een aantal oude ideen over hunebedden en hun cultuur, de zogenaamde Trechterbekercultuur (3400- 2900 v. Chr.), achterhaald. Uit haar onderzoek blijkt, dat de hunebedden niet gebruikt werden als gemeenschappelijke begraafplaatsen voor de gehele bevolking. Alleen speciale individuen kregen er een laatste rustplaats.Aan zo'n begrafenisplechtigheid nam wel de hele bevolking deel.

Het daarbij gebruikte aardewerk is van zeer wisselende kwaliteit. Het zijn geen speciaal vervaardigde potten en schalen. Hetzelfde gebruiksaardewerk vindt men in nederzettingen.Tot nu toe nam men aan dat aardewerk in hunebedden speciaal voor dit doel was vervaardigd. Men veronderstelde dit in de eerste plaats uit het vooroordeel dat grafgiften wel speciaal mten zijn. Daarnaast speelt een rol, dat het aardewerk uit hunebedden uitbundig versierd is en als laatste natuurlijk het feit, dat het beter bewaard is dan het aardewerk uit nederzettingen. In een publikatie van een hunebed ziet men een fraaie serie gereconstrueerde potten. Een artikel over de vondsten uit een nederzetting toont slechts enkele scherfjes. Maar deze zijn op dezelfde fraaie wijze versierd en behoren tot dezelfde soort potten. Daaruit blijkt, dat het aardewerk uit een hunebed het doorsnee gebruiksaardewerk is. Het werd daar achtergelaten na de grafmaaltijd omdat hergebruik te ontheiligend zou zijn.

Anna Brindleyheeft haar opleiding gevolgd in Dublin (Ierland) en in Groningen. Ze is werkzaam op het Groninger Instituut voor Archeologie van de Rijksuniversiteit Groningen. Tijdens haar studie raakte ze gefascineerd door de grote hoeveelheid aardewerk die de Nederlandse hunebedden bevatten. In zulke grote graven elders in Europa, worden hooguit twintig potten en meestal zelfs geen enkele aangetroffen. Bij hunebedden ligt dat anders. Het hunebed te Glimmen (G2) leverde 8000 aardewerk scherven bij de opgraving op, dat van Diever (D52a) zelfs 30 000 stuks. Normaal kan de archeoloog daar 150 tot 300 potten uit reconstrueren, maar ook hoeveelheden van 400, 600 en zelfs 1200 potten zijn bekend. Deze reconstructies van een complete hunebed-inventaris zijn mogelijk, omdat de scherven binnen het graf meestal goed bij elkaar zijn gebleven. Binnen een hunebed werden niet alleen grote aantallen potten aangetroffen, er is ook een groot aantal verschillende typen aardewerk aanwezig. Er zijn grote ronde schalen, schouderpotten, trechterbekers, amforen, flessen en voetschalen. Iedere vorm heeft zijn eigen functie gehad, maar ook zijn eigen versiering. Door die versiering kunnen losse scherven vaak goed aan een bepaalde potvorm worden toegeschreven.

Persbericht van het Groninger Instituut voor Archeologie / Vakgroep Archeologie
9 december 1996